CrozzClassics: Interview met Patrick Boessenkool (2015)

Nu de autocrosswereld nog zeker tot 1 september stilligt probeert DeCrozz.nl wat afleiding te bieden in tijden van stilte. Vandaag doen we dat het met een interview met Patrick Boessenkool, te lezen in ons gedrukte magazine uit het seizoen 2015. Na ongeveer vijftien jaar in de kevers besloot Patrick Boessenkool dat seizoen over een andere boeg te gooien. In de sprintklasse 1600 vond de man uit Dedemsvaart een nieuwe uitdaging en tegen de verwachting in was hij een van de titelkandidaten voor het eindklassement van het Nederlands Kampioenschap.

Boessenkool: “Mijn doel? Een finale rijden zou leuk zijn”

 

Na ongeveer vijftien jaar in de kevers besloot Patrick Boessenkool het dit seizoen over een andere boeg te gooien. In de sprintklasse 1600 vond de man uit Dedemsvaart een nieuwe uitdaging en tegen de verwachting in is hij een van de titelkandidaten voor het eindklassement van het Eurol/Veka Nederlands Kampioenschap autocross.

De naam Patrick Boessenkool doet vele mensen denken aan de keverklasse waar hij jarenlang vaste klant was. Zo’n vijftien jaar reed Boessenkool in deze klasse maar vond het nu wel genoeg, zo zegt hij. “Ik heb bijna vijftien jaar in een kever gereden en ik ben begonnen met 130 pk en geëindigd met 204 pk. De auto is wel veranderd en er is wel vooruitgang geboekt maar het concept is nu totaal uitgemolken. Het kan niet veel beter meer, ik zou niet weten wat ik voor 2015 had moeten veranderen aan de auto.” Het is het begin van een gesprek op een zomerse avond op het terras van de familie Boessenkool. Ook zoon Kay is geraakt door het autocrossvirus, zo is duidelijk te zien in de woonomgeving. “Bij hem is alles autocross”, legt Boessenkool’s vriendin Ineke uit. “Op de skelter, dvd’s en YouTube, het is autocross voor en na.” Het mag dan ook geen verrassing dat de jongste Boessenkool de ambitie koestert om later in een crossauto te stappen.

Boessenkool zelf was ook al van jongs af aan betrokken in de autocross. “Mijn oom Dirk reed vroeger al in een kever en dan ging ik van kleins af aan altijd mee. Eerst had je van die rare speedwaymodellen en later kwam de lage kever. Daar sleutelde ik al heel vroeg aan mee en toen rolde ik er langzaam maar zeker ook zelf in.” Ook zijn vader was betrokken in de autocross, maar wel aan de andere kant: “Hij was baancommissaris.” Zodra het kon, ging Boessenkool zelf rijden: “Ik ben begonnen in de vrije standaardklasse bij de DAC maar ook in Friesland. Daarna ben ik redelijk snel overgestapt naar de toerwagens in de Europokal. In klasse 1 heb ik een paar jaar tussen de scirocco’s gereden.” Het NK lonkte en zodoende besloot Boessenkool in 1999 om in te schrijven voor het nationale kampioenschap: “Daar reed ik in de toerwagens tussen Kormelink en Tuchter. Ik werd achtste in het kampioenschap maar ik wilde graag wat anders.” De expertise van oom Dirk werd ingeroepen en zo kon Boessenkool zijn loopbaan in de kevers beginnen: “Met behulp van mijn oom ben ik in de kevers terecht gekomen. Hij had de ervaring en nadat we een goedkoop autootje bij Willem Snijder hadden gekocht, ben ik er stapje voor stapje ingegroeid tot waar ik nu race.” Tot grote successen kwam het echter niet vaak, al was Boessenkool er dicht bij: “In de Europokal was ik de eeuwige tweede, er een paar heel dicht bij maar het nooit gehaald om kampioen te worden.” Datzelfde geldt voor de NK’s: “In dat klassement ben ik nooit verder gekomen dan een zevende plaats.” Tot frustratie heeft dat echter nooit geleid, zegt Boessenkool. “Althans, het hangt er vanaf van wie je verliest”, voegt hij er aan toe.

‘De techniek in de kevers is achterhaald’

De technologische vooruitgang blijkt lastig in de keverklasse, en het vermogen om harder te kunnen was volgens Boessenkool op. “Bij de kever wilde het gaspedaal niet dieper. Ik wilde ‘m er wel doorheen trappen.” Boessenkool is van mening dat de techniek in de klasse achterhaald is en het rijden met motorfietsen ziet hij niet zitten: “In de jaren zeventig reed men al met deze carburateur en iedereen rijdt er nog mee rond. Ik zag het niet zitten om nog tegen de Hayabusa’s te rijden. Ik had verwacht dat ze dit jaar heel gemakkelijk voorop zouden rijden maar niets is minder waar.” Peter Timmermans is zo’n voorbeeld, de Belg rijdt met een automotor en heeft goed contact met Boessenkool: “Ik vind het mooi dat hij wil blijven rijden met de automotor. Timmermans heeft zijn auto gewoon altijd 100% voor elkaar en het poppetje dat in de auto zit is ook super belangrijk. Bij hem klopt dat.” Het plezier in de keverklasse was dus een beetje verloren gegaan bij Boessenkool, de klasse waar zijn roots liggen. Toch lag er wel een alternatief plan voor dit seizoen. “Ik had het idee om met de kever meer Duitsland in te gaan. Daar zijn ze blij dat we komen en je rijdt er tussen de sprinters. De eerste keer dat ik daar was won ik de finale tussen de sprinters en een week later  gingen we naar Ledde en daar won ik ook twee keer.”

De voldoening was er in Duitsland nog wel, tot Boessenkool in aanraking kwam met de Sprint 1600, al zag het team dit eerst niet zo zitten. Ook de in Dedemsvaart woonachtige coureur had niet verwacht de overstap te maken: “De keverklasse is een machtige klasse hoor. Eigenlijk had ik het al van me afgezet, ik had nooit verwacht in de Sprint 1600 terecht te komen.” Dit ligt voornamelijk aan het kostenplaatje dat zo’n klasse eist, maar het heeft ook zo zijn voordelen: “Het scheelt veel tijd, ik hoef niet vaak meer motoren om te bouwen omdat je in de EuroPokal met injectie rijdt en in het NK met carburateur.” Het verschil tussen deze motoren zit volgens Boessenkool in het gemak waarmee een injectie-motor in balans is: “Naast dat je meer vermogen hebt, rijdt het ook makkelijker. Het vermogen wordt beter verdeeld, vooral als de baan slecht is. Mijn ervaring is dat de auto met carburateur de gaten opzoekt terwijl de injectie de auto er doorheen trekt. Normaal zat ik op zo’n 204 pk en nu zit ik op 245 pk met dezelfde motor terwijl ik alleen maar uitlaat en het spruitstuk hoef te verwisselen.” Wiebren van der Meulen van WEB Tuning staat aan de wieg van het type motor waarmee Boessenkool rijdt. “Hij heeft echt veel gedaan voor mij en is het dankzij hem dat ik zover gekomen ben.” Tegenwoordig doet Boessenkool de opbouw en assemblage in samenwerking met zijn neef, Maurice Boessenkool. Richard Boessenkool neemt het draai- en freeswerk voor zijn rekening.

Het is een van de aanpassingen die Boessenkool moest maken met zijn overstap naar de sprinters, vertelt hij: “Qua rijden is het helemaal anders, waar ik nog steeds aan moet wennen is dat je nu in het midden van de auto zit. Normaal zit je gewoon links, als in een normale auto. Dan kun je wat makkelijker inschatten wat betreft de ruimte en bij een sprinter zit er nog een brede achterkant aan. De kever was 190 centimeter breed, de sprinter is iets meer dan 2 meter en dat is toch wel anders. Af en toe twijfel ik nog wel eens of het kan maar tot nu toe gaat het goed.” Het leidde tot een droomstart van het NK seizoen met direct een tweede plaats op de eerste NK in Pieterzijl. Op het zand in Zuidwolde, waar Boessenkool kon testen in de clubcross voorafgaand, werd nog eens een top vijf klassering gehaald. “Dat hadden we nooit verwacht, ik zei tegen mijn broer en vriendin dat ik graag een finale zou willen rijden.” In Holterhoek komt de klap op de vuurpijl als Boessenkool in de kleine finale nog een plaats voor A-finale moet afdwingen. Met succes, Boessenkool staat als veertiende in die finale die vervolgens vlekkeloos verloopt. Hier haalt hij dan ook voor het eerst het maximaal aantal punten en in een klap is duidelijk dat Boessenkool een van de kandidaten voor het kampioenschap is.

Echter blijft Boessenkool het jaar beschouwen als een leerjaar en hij stelt zijn doelen niet bij met het oog op het kampioenschap. Naarmate de tijd gevorderd is, is hij een andere coureur geworden en dat betaalt zich uit dit jaar. “Als ik een jaar of vijf, zes geleden in de sprinter gestapt was, was het wel anders geweest denk ik. Naarmate je ouder wordt, denk je meer na over het rijden. Met de kever kun je zo nu en dan nog wel een zetje geven, die is een stuk steviger en dat kan met de sprinter niet. Lochem was een mooi voorbeeld: Ik moest van achteren komen en had een goede start en toen was ik iets te laat met remmen, knalde ik zo op de achterkant van Schoo. Van voren was alles krom en dan wordt je meteen wakker geschud. Dit moet je dus niet doen. Gelijk een hoop schade maar met sleutelen kwamen we een heel eind.” Zo haalde haalde Boessenkool in Lochem een zesde plaats, de minst goede van het seizoen.

Ook in de EuroPokal gaat het helemaal niet verkeerd voor Boessenkool die in Terwolde zegevierde in Klasse 9. Ook Klasse 10 verliep erg goed, daar haalde Boessenkool een tweede plaats en wederom een leermoment: “De wielen van een sprinter happen wat makkelijker in elkaar. Zoals bij de Europokal in Terwolde toen ik een klein momentje had met Moos Kroon waar ik buitenom wilde en hij me een beetje wilde blokken. Op dat moment kon ik geen kant meer op en hapten die wielen even in elkaar. Daar reed ik echt een beste zooi meters op twee wielen.” Geduld is een schone zaak, weet Boessenkool. Zo ervoer hij in de Superfinale die hij mocht rijden in Terwolde: “Die Superfinales vind ik echt geweldig om te doen. Ik had ‘m niet gewonnen denk ik maar ik was een heel eind gekomen. Ik moest geduld hebben met Robbert Beelen om hem op een goed moment voorbij te komen, toen ik dat had gedaan kon ik door. Een andere coureur had dat geduld helaas niet, en zo hadden we beide niets.”

Boessenkool leeft naar de laatste NK van het seizoen toe, al zijn het niet zijn favoriete banen in de slotfase van het seizoen: “Hier is het overal zand, maar ik rij het liefst op klei. Mijn start op de klei is altijd wat minder met het soort banden waar ik het liefst mee rijd. Dat is op zich niet erg want er komen dan nog tien ronden en dan maak je de achterstand meestal wel weer goed. Op zandbanen is de start wat dat betreft veel belangrijker, omdat er niet zoveel ingehaald wordt. Dat maakt het ook een beetje saai, en het zicht is natuurlijk heel erg slecht.” Realistisch kijkt de man uit Overrijssel naar de laatste wedstrijden: “Ik moet wel een beetje realistisch zijn, Van der Haas staat er goed voor en Baarle-Nassau is in mijn nadeel. In Lochem had ik graag iets meer naar voren gereden maar dat lukte helaas niet, in Haarle was ik tevreden met de vierde plaats. De twee laatste banen in het kampioenschap zijn in het voordeel van de motorfietsen.” Wel doet Boessenkool alles om het maximale eruit te halen, samen met team en sponsoren zet hij alles op alles: “Zonder hulp van hen zou ik het echt niet vol kunnen houden. Voor Baarle-Nassau kan ik niets anders doen dan de motor op scherp zetten en kijken wat er gebeurt. Als hij er voor zit, is het gewoon klaar. Middelveld is er natuurlijk ook nog maar als ik dit jaar bij de eerste drie kan komen, zou dat heel mooi zijn. Mijn jaar kan tot nu toe gewoon niet kapot.”

Lees ook: Boessenkool realistisch: ‘Opboksen’ tegen motorfietsen wordt lastig