Exclusief interview Mervin Klaassen: “Kampioen worden is het enige uitgangspunt”

Mervin Klaassen is in drie seizoenen uitgegroeid tot een serieuze kandidaat in de Sprintklasse 2000. De coureur uit Goes heeft een team om zich heen verzameld waarmee hij stad en land afreist met dat ene grote doel voor ogen: Nederlands kampioen worden. Bij de eerste Autocross Masters-wedstrijd in Pieterzijl, waar DeCrozz.nl sprak met Klaassen, kende hij een teleurstellend weekend, maar in Kortemark pakte hij een dubbele overwinning in Klasse 9 en 10. Dat alles is de opmaat naar het NK Autocross dat volgende week in Haarle begint. Eind vorige maand spraken we met Klaassen in Pieterzijl over gretigheid en motivatie, iets teruggeven aan de sport en zijn doelstelling voor 2018.

MB: Waar komt de liefde voor de autocross vandaan?

MK: “Mijn vader heeft vroeger met de zaak veel sponsoring gedaan in de rallycross, maar heeft nooit gereden door de drukte. Rallycross leek een uitstervende sport, het trok mij ook niet zo. Ik heb een jaar NK’s gereden met m’n neef in een Astra. Daarna heb ik het bedrijf overgenomen en een tijd gestopt. Pas in 2015 heb ik het weer opgepakt toen het economisch beter ging. Het was altijd een droom om in een sprinter te rijden, toen heb ik een team om me heen verzameld en zijn we ervoor gaan zitten.”

In 2015 debuteerde je in de Sprintklasse 2000, hoe begon je in die klasse?

“We waren in het begin heel basic van huis. Ik reed met een A&P van Sjaak Wismans die ik tweedehands gekocht had. De motor was op en ik wist ook helemaal niet waar het met deze sport heen ging en hoe het werkte. Pas toen we reden, zagen we wat anderen deden en we vonden dat wij dat ook moesten kunnen. Toen hebben we samen met Peters een auto gebouwd, de wagen waar Pieter [Poelstra] nu mee rijdt, en dat was best een goede auto voor de klei.”

Uiteindelijk deed je in 2016 op Hieslum zelfs mee om de titel…

“Klopt, daar hebben we het op onervarenheid verloren. We maakten een foutje met de achterwielophanging en toen viel de auto stil bij de start. Wie daar won, zou kampioen worden. En toen werden we tweede.”

In 2016 tweede, in 2017 was er maar één optie. Toch lukte het niet. Was je te gretig?

“Ik denk het niet. We kwamen in Pieterzijl [waar de eerste wedstrijd plaatsvond] met de wetenschap dat we alleen maar konden vallen. Toen reden we de sterren van de hemel de hele dag, het ging erg goed. We reden in de finale op een halve baan voorsprong en toen ging het mis. In Gersloot stonden we pole-position maar ging de motor in de finale stuk. Toen ik van de buitenkant aan wilde zetten, gaf de motor niet thuis. Met drie cilinders en een drijfstang buiten werden we toch nog zevende.”

“Pas in Rosmalen wist ik weer dat ik het kon. Het lukte daar niet helemaal vanwege een foute bandenkeuze. Ondanks dat hebben we toch wel een mooie strijd geleverd [met een tweede plaats achter Chris Wagenaar]. Maar toen moest de auto weg, want die hadden we verkocht [aan Stefan Gerrits]. Toch gaf het wel een boost, ik kreeg weer vertrouwen.”

“Toldijk had ook gruwelijk mis kunnen gaan”

Toldijk was een speciale wedstrijd met één auto in twee klassen én twee podiumplaatsen, hoe kijk je daar nu op terug?

“Daar hoor ik nog steeds mensen over praten en dat is heel fijn en bruut. Het was wel een zeer risicovolle onderneming, het had ook gruwelijk mis kunnen gaan. Ik had op dat moment al geen druk meer en wist dat het kampioenschap niet meer ging lukken. Achteraf kwamen we er alsnog heel dichtbij.”

“Dat bracht ons in Gendringen met de auto van Gerrits en toen ontdekten we ook dat een auto die we zelf niet gebouwd hebben, ook niet kan wat ik wil. En die schreef ik compleet af. Toen was het klaar. Toen hebben we hier en daar nog een beetje gereden, maar was er vooral heel veel werk aan de winkel in de winter.”

Waarom ging het in 2017 mis?

“Het had een heel mooi jaar kunnen worden, maar na Pieterzijl was ik er met de kop niet meer bij. Ik had geen zin meer terwijl de jongens binnen het team heel erg enthousiast waren. Die mannen hebben echt grote ambities. Ik weet zeker dat er maar weinig zijn hier op het rennerskwartier die zo’n ambitieus team hebben als ik. Die jongens geven alles vrijwillig en zijn bloed fanatiek. We zijn met zeven man en m’n gezin. Ze zijn echt bloedfanatiek. Vijf avonden in de week, ieder weekend. Dat is bizar en dat vind je niet veel meer. Dat brengt ons wel op een niveau waar we iets kunnen bereiken.”

Je hebt zoals je zegt een fanatiek team, maakt dat jou nog fanatieker?

“Absoluut. Als zij fanatiek zijn, probeer ik alles eruit te halen wat erin zit. Het maakt niet uit of het nou een clubcross is of het Nederlands kampioenschap. Ik wil gewoon een succesvol jaar rijden, het maakt me niet uit welke plek het wordt, maar ik wil laten zien dat we het kunnen.”

“De meeste teams zien mij liever gaan dan komen”

Is dat ook de zakenman of ondernemer in je?

“Dat denk ik wel. Ik wil zakelijk ook voor niemand iets onder doen. Ik wil altijd vooraan staan. Ik ben niet schuw van belangstelling. Als je bij de poort komt en iemand is blij je te zien en zegt dat ze fan van je zijn, dan doet mij dat wel iets. Dat vind ik gaaf. Aan de andere kant ben ik niet een hele geliefde rijder, laten we dat niet ontkennen. De meeste teams zien mij liever gaan dan komen, maar dat heb je altijd wanneer je in een competitie zit. Maar het gewone publiek, die komen voor spektakel. Een donut hier en daar, dat vinden ze gaaf. Ik heb geen angst en ben soms zo blind als een paard, maar ik heb wel respect voor andere rijders. Zoals een Jacob [Heeres] die tussen de Superklasse-mannen mee kan rijden, dat is gewoon helemaal het einde. We zullen zien of ik dat dit jaar bij kan benen.”

Je doet veel aan sponsoring in de sport, wat is daar je gedachte achter?

“Ik probeer niet alleen mezelf te helpen, maar ook voor anderen iets te doen door middel van sponsoring. Ik vind het belangrijk om iets terug te geven aan de sport, gewoon voor de rijders die niet met dezelfde middelen komen als wij. Dat vind ik mooi aan deze sport en daar doen we het ook voor. Het leven is soms niet eerlijk en ik vind dat de verschillen in deze sport enorm groot zijn, maar op de baan is het allemaal één. Daar sta ik soms van te kijken. We doen allemaal hetzelfde om hard te gaan en soms baal ik van een vierde plaats waar een ander dolblij mee is. Dat is gaaf, dat is mooi. Die komen ook met een heel team van huis en proberen ook hun beste beentje voor te zetten. Dat is iets aparts.”

Je bent woonachtig in Goes en dat is nou niet de meest centrale plek in het land. Het moet een grote opgave zijn om bijna ieder weekend te rijden?

“En dan ook nog eens tien man mee hebben die vrij moeten vragen, in de nacht om 01.00 uur thuiskomen en ook gewoon weer vroeg aan het werk moeten. Als ik met de jongens om de tafel zit en vraag of we klaar zijn voor de zandwedstrijden, komen we tot de conclusie dat we er niet klaar voor zijn en vertrekken we bij wijze van spreken naar Gersloot. Er is niemand binnen het team die twijfelt om niet te gaan. Dan is het zaak om het huiswerk goed te doen, de spullen in de laden en te schrijven. De motivatie is wat dat betreft heel belangrijk.”

Soms lijk je de druk voor jezelf wel aardig op te voeren, beschouw je dit spel nog wel als ontspanning?

“Zeker weten. Het is zeker ontspanning. Ik kan er onwijs van genieten. Als ik aan de start sta, maak ik mezelf een beetje driftig en dat vind ik mooi. Ik vind het nog altijd vooral ontspanning, anders zou ik het niet meer doen. Als ik er een hekel aan begin te krijgen, dan stop ik ermee. Op de dag dat het een verplichting begint te worden, stop ik ermee. Als er een avond komt dat we denken ‘nu moeten we weer’, dan stoppen we er gelijk mee. Zolang de jongens en m’n vrouw tegen mij roepen dat we gaan, ga ik ook.”

“En m’n vader [Peter Klaassen], daar kan ik ook van genieten als die aan het rijden is. Ik had vorig jaar niet zo’n best jaar, de auto was waarschijnlijk moeilijker dan ik had gedacht, maar het concept is goed, hij gaat mooi rond. Dat is heel mooi om te zien.”

Het thuisfront, ook niet geheel onbelangrijk in deze. Hoe staan zij erin?

“Ik ben er onwijs trots op dat ik een vrouw heb die me volledig steunt. Ze heeft misschien twee crossen gemist omdat ze toen hoogzwanger was. Ze is er altijd bij en ook al moet ze vijf uur rijden, ze is er. Dat geeft me veel energie. Het heeft m’n leven op z’n kop gezet. Totaal. M’n vrouw en ik vragen elkaar weleens waar we in godsnaam mee bezig zijn. Ik zie van maart tot oktober geen verjaardagen van familie of vrienden. Ik ben ieder weekend weg, elke avond thuis bezig.”

“Wij pakken groots uit, maar kunnen net zo goed verslagen worden door iemand met een busje en een kar. Dat weten we”

Hoe sta je ervoor dit seizoen?

“Ik sta er denk ik beter voor dan ooit. Als je ziet waar ik nu mee van huis kom, met de auto’s, het team en de nieuwe trailer… Je wordt natuurlijk geen kampioen met de materialen die je hebt en het zit natuurlijk in de kleine dingen. Ik schaam me er soms wel een beetje voor. Ik heb onwijs veel respect voor rijders die veel minder middelen hebben en toch vooraan rijden. Daar heb ik echt respect voor. We weten dat ook met het hele team, dat druk ik ze altijd op het hart. ‘Jongens, er kan iemand komen met een busje en een karretje die ons het snot voor de ogen rijdt. Dat is de lachende derde. Ze zijn er zat.’ Die hebben het in de vingers en kunnen rijden als de beste. Daar moeten we wel rekening mee houden. We pakken groot uit, staan altijd vooraan en ze verwachten veel van ons, maar we kunnen verslagen worden door een outsider. Dat is het mooiste wat je in de autocross kunt hebben, er zijn zat voorbeelden.”

We kunnen gerust zeggen dat het NK Autocross momenteel in een ‘gouden tijdperk’ zit. Wat is jouw kijk daarop?

“Het is echt bizar. Ik denk dat er vele takken van sport dromen om dit materiaal aan de start te krijgen. Iedereen is zo competitief op de baan. En vijf jaar geleden zag je een paar touringcars en vrachtwagens, nu loop ik weleens een rondje door het rennerskwartier en dan realiseer ik me pas hoe deze sport in korte tijd veranderd is.”

Hoe ziet deze sport er over vijf jaar uit?

“Dat is moeilijk. Qua milieu en dingen zal het niet makkelijker worden. Ik hoop dat de sport mag blijven bestaan, maar ik vrees dat het aantal wedstrijden gaat halveren. De NK’s en de Masters houden het wel vol, maar de clubs gaan het heel lastig krijgen om altijd aan alle eisen te voldoen. Dat zie je in de rallysport en de rallycross, het verdwijnt langzaam maar zeker. Maar nu deze sport er financieel steeds beter voor staat, komen er ook kansen. Je wilt er eigenlijk niet over nadenken, het is iets wat over tien jaar misschien wel niet meer bestaat. Daar willen we allemaal niet over nadenken, maar we weten dat het gaat gebeuren.”

Tot slot, wanneer is dit seizoen voor jou geslaagd?

“We hebben maar een uitgangspunt en dat is kampioen worden. Ik ga met minder ook niet genoegen nemen, want daaronder [op de tweede plaats] heb ik al een keer gestaan. Het moet gewoon een keer gebeuren.”

Mark Bremer sprak op 27 april met Mervin Klaassen